Beregenen uit grondwater

Veel boeren en tuinders gaan bewust zuinig om met water en investeren in maatregelen die water besparen, opvangen en vasthouden. Toch is beregenen vaak nog onmisbaar, bijvoorbeeld in droge perioden. Dat moet dan ook mogelijk zijn. ZLTO vindt dat waterbeheerders met boeren en tuinders moeten samenwerken en hen moeten belonen voor hun inzet. Samen werken we aan een goede waterbalans. 

Beregenen tegen droogte

Ons weer wordt extremer: milde winters met heftige plensbuien, gevolgd door kurkdroge zomers. Dat zorgt in sommige jaren voor lage waterstanden, wat slecht is voor landbouw en natuur. Boeren en tuinders hebben voldoende water nodig om gewassen te kunnen telen. Als dat water ontbreekt, moeten boeren beregenen uit grond- of oppervlaktewater. Wij zien beregening van gewassen als hoogwaardig gebruik van water. Voedselproductie is zo belangrijk dat die niet te snel opgeofferd moet worden voor natuurbelangen. 

ZLTO zet zich in om de beregeningsbehoefte zo klein mogelijk te maken. Door maatregelen te nemen op het gebied van het gebruik, de aanvoer en het vasthouden van water, kunnen we waterschaarste in het voorjaar en de zomer beperken. Nu al voegen boeren en tuinders meer toe aan het watersysteem dan zij onttrekken. Dat doen ze door regenwater in de winter zo veel mogelijk vast te houden in sloten en de bodem. Om meer te doen hebben we de waterbeheerders nodig. 


Hoe gaan we dat bereiken? 

Boeren en tuinders zijn belangrijke waterbeheerders. Maatregelen op het boerenland kunnen een groot verschil maken. Denk daarbij aan het verbeteren van de bodem, zodat die meer water kan opnemen en vasthouden. Of aan zuinig water geven aan planten door middel van druppelslangen. ZLTO werkt met boeren aan het vasthouden van zoveel mogelijk regenwater. Dat doen we met projecten als BodemUP, Wel Goed Water Geven, en Elke druppel telt. Inmiddels nemen ruim 550 boeren en tuinders deel aan BodemUP, en dat aantal willen we in de komende vijf jaar verdrievoudigen. Ook werken we aan bedrijfsbodem- en waterplannen. Daarmee kunnen boeren en tuinders aan andere partijen laten zien welke maatregelen ze nemen en wat die opleveren. 

Boeren en tuinders kunnen het natuurlijk niet alleen. Ook de overheid is aan zet om de waterbalans te verbeteren. Daarom zoeken we de samenwerking met waterschappen en provincies en soms ook met drinkwaterbedrijven, natuurorganisaties, kennisinstituten en het Rijk. We pleiten voor maatregelen die boeren en tuinders faciliteren en niet benadelen. Dat heeft eind 2021 geleid tot een nieuw Grondwaterconvenant. Daarin is bijvoorbeeld afgesproken dat bij droogte niet alleen beregening ter discussie staat, maar dat naar alle onttrekkers wordt gekeken. Er is ook meer aandacht voor het belang van het toevoegen van water aan het systeem, zodat onttrekken minder een probleem wordt.  

De gunfactor die veel individuele agrariërs hebben, is onze grootste kracht. De boodschap is dat water door onze sector nuttig gebruik wordt. De inzet die onze leden afgelopen jaren hebben getoond om goed met water om te gaan, wordt door velen opgemerkt. De agrarische sector levert haar bijdrage aan een toekomstbestendig watersysteem.

Ons standpunt

  • Beregening is in het groeiseizoen essentieel om gezonde gewassen te telen. Beregening moet daarom altijd en overal mogelijk zijn. 

  • Boeren en tuinders doen hun best om hun beregeningsbehoefte te verminderen. Ook beregenen zij liever niet en doen dat alleen als het niet anders kan. 

  • In de winterperiode moet een veel groter deel van de neerslag vastgehouden worden. Boeren hebben daarbij vaak wel de hulp nodig van de waterbeheerder. 

  • Agrariërs die aantoonbaar zuinig zijn met water of water aan het bodem- en watersysteem toevoegen, moeten daarvoor worden beloond. Wij denken daarbij aan extra beregeningsruimte of een financiële beloning. 

  • Het belang van waterconservering mag niet leiden tot onevenredige schade door wateroverlast. 

Veelgestelde vragen

  • Hoe is de overheid tot deze reductiepercentages gekomen?

    • In het regeerakkoord is afgesproken dat voor 2030 de stikstofemissies met 50 % moeten dalen om daarmee 74% van de stikstofgevoelige hectares in Natura 2000 gebieden onder de KDW (kritische depositiewaarde) te krijgen. Met de reductiepercentages die het kabinet nu voorstelt wordt 81,4% van de hectares onder de KDW gebracht. De reducties moeten gerealiseerd worden ten opzichte van het jaar 2018.

      Ze maken met dit voorstel nu concreet wat dit betekent voor de opgaven in de verschillende gebieden. Het is een reductieopgave per gebied, niet per bedrijf. Het zijn richtinggevende percentages waarmee provincies mee aan de slag moeten

  • Waarom hebben sommige gebieden grotere opgaven dan anderen?

    • Dat heeft volgens de Minister drie redenen:

      a) In sommige gebieden levert de veehouderij een grotere bijdrage aan de stikstofdepositie dan in andere gebieden.

      b) In sommige gebieden kan de natuur slechter tegen stikstof (lage KDW)

      c) Door stikstofreductie slim te lokaliseren, profiteert de rest van het land er ook van. Het grootste deel van de stikstof slaat ver weg neer. Als op de Veluwe veel stikstof wordt gereduceerd helpt dat voor heel Nederland. Als het in Groningen of Zuid-Limburg wordt gedaan levert dat vooral veel stikstofdepositiereductie op voor Duitsland. 
  • Gelden deze reductiepercentages alleen voor landbouw of moeten verkeer en industrie ook wat doen?

    • De opgaven zijn vooral gericht op landbouw. De minister heeft aangegeven dat ze op het einde van het jaar met concrete landelijke maatregelen voor verkeer en industrie komt. De Minister neemt hier landelijke maatregelen omdat veruit het overgrote deel van het stikstofoxide van deze sectoren ver weg neerslaat. Uiteraard kunnen die opbrengsten van deze landelijke maatregelen wel wat op leveren voor de gebiedsopgaven. LTO Nederland vindt dat iedere sector evenredig moet bijdragen aan stikstofreductie.

  • Wie gaat de maatregelen nemen om de reducties te realiseren?

    • In het basispad (autonome ontwikkeling) rekent men op 12% reductie (bijvoorbeeld -8 % reductie aantal koeien, opbrengsten deel SRV). Er komen een aantal generieke maatregelen (o.a. opkoopregelingen, stalaanpassingen, subsidieregelingen) die reductie opleveren. Aanvullend hieraan zullen provincies extra maatregelen moeten nemen om de doelstellingen te realiseren. Een belangrijke maatregel in Brabant is bijvoorbeeld het verplicht aanpassen van de stallen.

  • Wanneer worden de maatregelen bekend gemaakt?

    • Iedere provincie moet per 1 juli 2023 een gebiedsplan af hebben. Daar moeten de maatregelen in staan, inclusief de sociaaleconomische gevolgen en hoe ze de natuurdoelen gaan halen.

  • Heeft de provincie ruimte om eigen afwegingen te maken?

    • Ja, de provincie heeft wat ruimte om zijn eigen afwegingen te maken zolang de doelstellingen uiteindelijk gehaald worden. Dit betekent dat, als er minder reductie gehaald wordt binnen één zone, er in andere zones meer gerealiseerd moet worden. Als de totale doelstelling in de provincie niet gehaald wordt, heeft de Minister aangegeven dat ze hard ingrijpt.

  • Wat vindt ZLTO van de doelstellingen?

    • Via het DE (Duurzaam Evenwicht) plan en het CTM plan heeft LTO samen met andere maatschappelijke organisaties een aanbod gedaan om stikstof te reduceren. Dat plan zit veel beter in elkaar en heeft maatschappelijk draagvlak. De doelstellingen van de Minister voor een aantal gebieden is onrealistisch hoog en leidt tot grootschalige kaalslag. Ook het tijdsbestek, binnen 8 jaar, om een dergelijke grootte reductie te halen is qua uitvoering niet realistisch.

      Ook begrijpen we de doelstellingen voor de transitiegebieden niet. Die komen zeker bij ons in Zeeland compleet uit de lucht vallen en hebben nauwelijks of geen relatie met Natura 2000. Er zit niet veel veehouderij in die gebieden. Sowieso draagt de Zeeuwse landbouw weinig bij aan de depositie, de 47% reductie is daarom veel te hoog.

      Ook in Brabant zijn gebieden aangewezen als transitiegebied waar geen relatie is met Natura 2000. Daar is de doelstelling te hoog. Volgens het RIVM zijn ze een afgeleide van doelstellingen in de andere zones. Na een paar zones ingetekend te hebben en reductiepercentages te hebben benoemd is de restopgave verdeeld over deze gebieden. Op zijn minst hadden de doelen voor die gebieden op zijn eigen merites beoordeeld moeten worden.

      Ook vinden wij de 70% reducties rond een Natura 2000 gebied niet reëel. Er zit vaak nog nauwelijks veehouderij. Daarnaast lijkt het erop dat er zones van 70% reductie zijn ingetekend bij Natura 2000 gebieden die niet stikstof gevoelig zijn. Dat is helemaal niet te verklaren.

  • De overheid focust zich bij de opgaven op de Kritische Depositiewaarde (KDW). Wat vindt LTO hiervan?

    • Ook bij deze doelenbrief wordt er veel te eenzijdig naar de KDW gekeken. Er moet veel breder gekeken worden naar hoe het met natuur gaat. De doelstelling van Europa is behoud, en waar nodig herstel van natuurwaarden. In de praktijk blijkt vaak dat het redelijk gaat met de natuur terwijl KDW toch wordt overschreden (zie o.a. PBL-rapporten). Ook uit het memo van het RIVM blijkt dat een aantal KDW’s nooit haalbaar zijn.

  • De kaartjes zijn vaag en het is niet te zien of ik in een gebied lig.

    • Dat klopt, exacte grenzen zijn er nog niet. Bij de hoge reductiepercentages van 70% gaat het waarschijnlijk om 1 kilometer zones rondom stikstofgevoelige Natura2000 gebieden, maar dat is niet zeker. Ministerie heeft hier bewust voor gekozen omdat het aan de provincies is om uit te voeren hoe ze de doelen gaan realiseren.

  • Waarom ziet het kaartje voor Gelderland er anders uit?

    • In Gelderland is voor een andere variant gekozen. Omdat de bedrijven op de Veluwe relatief per kg stikstof het meest bijdragen aan de depositie in Nederland (midden van het land) is er daar voor gekozen om in de buurt van de Veluwe heel veel te doen en de rest van de provincie weinig.          

  • In Brabant moeten bedrijven hun stallen aanpassen. Wat heeft het voor zin om een stal aan te passen als je niet weet of je straks door mag?

    • ZLTO blijft de provincie Noord-Brabant er nadrukkelijk op wijzen dat de deadline van 1 januari 2024 onhaalbaar en dus onwenselijk is.

      Onze argumentatie richt zich op een gelijk speelveld voor Noord-Brabantse boeren ten opzichte van hun collega’s elders in het land – zeker met het oog op innovatiegelden. Daarnaast voorzien wij dat het praktisch niet haalbaar is voor provincie, omgevingsdiensten en gemeenten om tijdig de stortvloed aan vergunningaanvragen te behandelen en af te werken, opdat agrarisch ondernemers met de financiering aan de slag kunnen en vervolgens een leverancier en installateur kunnen vinden. In anderhalf jaar tijd gaat dit nooit lukken, wat leidt tot een juridisch en sociaal drama. Dus is het in ieders belang dat de deadline verschuift, maar de doelen dezelfde blijven. Dat is onze oproep aan de provincie Noord-Brabant.

Uitgelicht project RECUPA: Recirculatie technieken trayvelden in aardbeienteelt

Uitgelicht project BodemUP: Haal meer uit je bodem

Bekijk alle projecten

Onze leden vertellen

Bekijk alle ledenverhalen
  • Heiko van Berlo - breed

    Heino van Berlo: ‘Lidmaatschap zie ik als zelfontplooiing’

  • jacky Dieleman

    Jacky Dieleman: ‘Geef geen commentaar als je er zelf niets aan doet’

  • stijn bierkens - breedte

    Stijn Bierkens: ‘Belangrijk dat er een organisatie is waar je bij hoort’

ZLTO Ledenvoordeel

Bekijk al het ledenvoordeel
  • Header website_0000s_0020_Tielemans computer pc binnen werken

    KPN mobiele telefonie en internet/tv | 5% korting

  • Header website_0000s_0050_zon op dak

    Zelf energie opwekken

  • Header website_0000s_0023_Stal in aanbouw advies

    Dakactie Eternit | € 0,35 per m2

  • Header website_0000s_0049_boeren ondernemers praten met elkaar discussie tuinders leden in gesprek

    Selecta koffie | 20% korting op ingrediënten

  • Header website_0000s_0006_P. Van Hedel bemesten gierton

    Diesel | € 2 korting per 100 liter