Uitspraak Hoge Raad goed voor stroperige praktijken in agrarisch vastgoed

1371b19a-ba30-41ff-afc1-65a854335683
ZLTO Advies

In het 'Didam'-arrest van 26 november 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat overheden bij de verkoop van grond (potentiële) gegadigden de gelegenheid moeten bieden om mee te kunnen dingen. Dat betekent dat overheden niet vrij zijn om grond te verkopen aan een partij naar keuze, maar gelijke kansen moet bieden bij de uitgifte van grond. Dat kan gevolgen hebben voor ruilingen van agrarisch onroerend goed.


Wat is de achtergrond van dit arrest?

De gemeente Montferland had in het centrum van Didam een locatie en wilde deze verkopen aan een projectontwikkelaar. Deze ontwikkelaar had het voornemen om daar een Coop-supermarkt te realiseren. Bij dezelfde gemeente had er ook een andere (vastgoed)onderneming als gegadigde zich gemeld om daar een Albert Heijn-filiaal te gaan exploiteren. De gemeente verkocht echter het stuk grond aan de eerstgenoemde projectontwikkelaar. Naar aanleiding hiervan stapte de (vastgoed)onderneming naar de rechtbank Gelderland en spande een kort geding aan. De (vastgoed)onderneming vorderde dat de Gemeente werd verboden de locatie te verkopen en te leveren, anders dan na het doorlopen van een openbare biedingsprocedure. Geen toekenning en dus kwam er een hoger beroep. Wederom geen toekenning, waarna cassatie volgde en de Hoge Raad aan zet was.

Volgens de Hoge Raad vloeit uit het gelijkheidsbeginsel voort dat een overheidslichaam dat een onroerende zaak wil verkopen, de gelegenheid moet bieden aan (potentiële) kopers om mee te kunnen dingen. Dit geldt alleen wanneer er meerdere gegadigden zijn, of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. In een dergelijk geval zal het overheidslichaam objectieve, toetsbare en redelijke criteria moeten formuleren om aan de hand daarvan de koper te kunnen selecteren. En zo was de uitspraak een feit!

Wat betekent dit in de praktijk?

Momenteel ben ik bezig met diverse onteigeningen waarbij we middels de inzet van ruilgrond willen komen tot compensatie en structuurverbetering. Met een aantal dossiers zijn er kansen gecreëerd om te komen tot een alternatief in plaats van alleen het symbolisch ‘zakje geld’, waar de agrarisch ondernemer vaak niet op zit te wachten.

Na het ‘Didam’ arrest merken we dat overheidsorganen er verschillend mee om gaan. Grotere overheidsorganen zoals Rijkwaterstaat stellen hele methodieken op via biedboek procedures waardoor je als betrokkene de grip op grond kwijt kunt raken. Andere, doorgaans kleine overheidsorganen, gaan hier (gelukkig) nog ‘lichtvoetig’ mee om waardoor beoogde ruilingen nog wel tot stand kunnen komen. Het is daarom raadzaam om goed stil te staan bij reëel gestelde criteria die je in het achterhoofd kunt opsommen als argumenten om een toedeling van ruilgrond uit ‘overheidshanden’ te rechtvaardigen.

Uitspraken die de basis van jurisprudentie vormen zijn een prachtige sturing in het ‘juridisch debat’. Maar een uitspraak als deze die naar mijn bescheiden mening toch redelijk kort door de bocht door de Hoge Raad tot stand is gekomen, zorgt wederom voor een stroperige, onzekere en vooral niet praktische wijze van handelen in het agrarische onroerend goed. Iets waar we nu en in de toekomst niet op zitten te wachten.

Roy van Laarhoven

Rentmeester - Taxateur Landelijk Vastgoed

Reageren op dit bericht

Voor jou als lid is het mogelijk om te reageren op dit bericht

Inloggen